Als je uit Amsterdam komt is alles de provincie. Als je uit Groningen komt is alles ommeland. Als je uit Winschoten komt… Op station Utrecht wacht een meisje op de trein naar Groningen. Ze heeft zich zwart gekleed en ze kijkt een tikje gespannen in het rond. Ik schat haar nog geen dertig. ‘Komt hier de trein naar Groningen?’ vraagt ze met een lichte tril in haar stem. Ze wijst erbij naar het bord boven het perron. ‘a-zijde: Leeuwarden, b-zijde: Groningen’ staat er. En in de hoek: ‘Spoor 11b’. Ik kijk haar aan. Ze is niet aantrekkelijk. Haar ogen hebben hangende hoeken en een platte grauwe blik kijkt mij vlak aan. Wat erg als je zo bent.
‘Ja,’ zeg ik , ‘het deel voor Leeuwarden komt eerst. Dan het deel voor Groningen.’ De vlakke blik in haar ogen maakt plaats voor paniek. ‘Het deel voor Groningen wordt eraan vast gekoppeld,’ voeg ik daarom toe. Het helpt een beetje. ‘Ik moet ook naar Groningen,’ zeg ik nog. Ze ademt uit. ‘Ik ook, ik moet ook naar Groningen, ik ga naar Winschoten.’ De trein naar Leeuwarden rolt nu daadwerkelijk binnen. Ze slaat hem argwanend gade.
‘Kom je uit Winschoten?’ het is een beleefdheidsvraag, die stel ik zelden. ‘Ik kom uit Leiden, ik had een vrijgezellenfeest, ik ga nu terug naar Winschoten.’ Ik vermoed dat ze niet vaak terug naar Winschoten gaat. Ik vermoed dat ze Winschoten bijna nooit verlaat. ‘Wil je je hele leven in Winschoten blijven wonen?’ vraag ik daarom. ‘Oh zeker!’ reageert ze snel. ‘Ja hoor, Winschoten is een prachtige stad.’ Ze noemde Winschoten echt een stad. ‘Zoals Leiden, dat is me echt veuls te druk, Groningen ook, veuls te druk.’
Och arme.
‘Heb je veel geslapen vannacht?’ ‘Nee niet echt, maar dat kan ik weer inhalen.’ ‘In de trein…’ ‘Nou, nee ik moet wel een beetje opletten waar ik allemaal langs kom.’ ‘Groningen is het eindstation.’ ‘Ja,’ de paniek is weer terug en haar ogen schieten heen en weer. Ze probeert zich even in te denken hoe het zou zijn als Groningen niet het eindstation zou zijn. Dat zou hoe dan ook, niet goed zijn. Verschrikkelijk zelfs. De trein naar Groningen rolt binnen en kust de trein naar Leeuwarden. ‘Gelukkig staat er op dat’ie naar Groningen gaat. Mooi.’
In de trein schreef ik dit, maar op het perron van Groningen flitsen we nog langs elkaar. Een metamorfose: ze is ontspannen, ze heeft lichtjes in haar ogen, ze is nu gewoon een meisje. Zag ik het in Utrecht dan helemaal verkeerd?